Ervaringsverhaal
Als een gezinshuiskind vertrekt
In deze blog deelt Sandra -een van onze gezinshuisouders - haar persoonlijke ervaring met afscheid. Over loslaten, verbonden blijven en wat dat vraagt – van haar én van het kind.
Wanneer een kind een pleeggezin of gezinshuis verlaat, wordt daar eigenlijk maar weinig over gesproken. Over plaatsingen, behandelingen en perspectieven hoor je veel. Maar wat er gebeurt wanneer een kind weggaat? Wat dat doet met een kind – en met de mensen die jarenlang zijn veilige basis waren – daar hoor je minder over.
Ik wil jullie meenemen in hoe het voor mij was toen onze gezinshuiszoon vertrok. Wat het met mij deed, en wat het – denk ik – voor hem betekende.
Er zijn verschillende redenen waarom een jongere een gezinshuis verlaat. Terug naar ouders of familie, zelfstandig wonen, begeleid wonen, of omdat er andere zorg nodig is. Hoe zo’n vertrek verloopt, is altijd anders. Wat ik vertel, gaat over onze situatie en mijn ervaring.
Onze gezinshuiszoon woonde acht jaar bij ons. Hij kwam als klein blond mannetje via een crisisplaatsing binnen en bleef. Acht jaar waarin we samen zoveel hebben meegemaakt: opvoeden, troosten, begrenzen, school, boosheid, trauma, ruzies, maar ook lachen, vakanties en mooie momenten. Langzaam groei je naar elkaar toe. Je bouwt samen een leven op.
En hoe professioneel je werk ook is… je hart doet altijd mee.
Rond zijn vijftiende werd zijn problematiek ingewikkelder. Zijn gedrag werd zelfbepalender en agressiever. Zijn familie begon aan hem te trekken en dat had veel invloed op hem. Hij wilde terug naar zijn eigen systeem. Dat snapte ik ergens ook wel. De spanningen liepen hoog op en uiteindelijk escaleerde het. Hij ging bij zijn grootouders wonen. Wij werden daar gezien als de oorzaak van zijn problemen.
Hij was weg. Het contact werd verbroken.
Je gaat van dagelijks zorgen… naar ineens niets meer mogen betekenen.
Denk je dat hechting stopt zodra een kind een gezinshuis verlaat?
Dat is soms wat er verwacht wordt. Alsof je rol ineens klaar is. Maar zo werkt het voor mij niet.
Je investeert jaren in een kind. Je volgt cursussen, verdiept je, bent er onvoorwaardelijk. Acht jaar lang.
En dan… lijkt het alsof je er niet meer toe doet.
Wat het meeste pijn deed, was dat hij zich zo tegen ons afzette.
Er was verdriet en ook echt een gevoel van rouw.
Want een gezinshuis is geen gewone plek. Je leeft samen, maakt herinneringen. Je bouwt een band op die niet zomaar weg is.
Laat je een kind los als je jarenlang zijn veilige basis bent geweest?
Ik kon dat niet.
Dus ik bleef, op afstand, betrokken. Niet eisend, niet dwingend – maar wel beschikbaar.
Na een tijd bleek het niet goed te gaan bij zijn papa, opa en oma. Heel voorzichtig kwam er weer contact tussen ons. Eerst stiekem, daarna wat opener. Appen, even samen eten, praten.
Nu woont hij op een woongroep en ben ik – op zijn verzoek – zijn JIM(“Jouw Ingebrachte Mentor”) geworden.
De jongere mag dan zelf een vertrouwenspersoon uitzoeken uit zijn eigen omgeving (bijv. een tante, voetbalcoach, oudere vriend). Deze helpt de jongere, inspireert, mag aansluiten bij Multidisciplinaire overleggen enz.
De JIM blijft wanneer hulpverleners wisselen. Het fijne is de regie ligt nu bij de woongroep. Er is wat meer afstand waardoor de relatie wat meer ruimte krijgt.
Met wat meer afstand is er ruimte gekomen. Ruimte om weer contact te maken, op een andere manier.
Wat hebben kinderen die al veel verlies hebben meegemaakt het meest nodig?
Voor mij is dat: continuïteit van relaties.
Niet steeds opnieuw belangrijke mensen verliezen zodra een plek verandert.
Wat ik gemist heb in dit proces, is aandacht voor de relatie na vertrek. Er was geen plan voor hoe het contact zou blijven. Terwijl dat zo belangrijk kan zijn. Het zou mooi zijn als daar meer aandacht voor komt. Niet alleen kijken naar waar een kind woont, maar ook naar wie belangrijk blijft in zijn leven.
Want sommige verbindingen stoppen niet bij een verhuizing.
Sommige kinderen draag je voor altijd mee in je hart.